Ik loop verder langs de kust.
Ineens houdt de wereld op. Het land eindigt abrupt, valt loodrecht naar beneden. In de diepte beuken de golven tegen de voet van de klif.
Inderdaad: het einde van de wereld.
Grijs en wit strekt de zee zich uit tot de horizon. Glimmend zwarte rotspunten duiken hier en daar op uit de schuimende golven. Hoog boven me krijsen meeuwen.
De hemel is onrustig, vol jagende wolken. De wind duwt me hard in de rug, rukt aan mijn kleren, mijn haar maar ik voel een ongewone rust. De ruwe rotsen waar ik even tegenaan leun om uit te rusten zijn hard en prettig en werkelijk.
En die geur! Een wilde kruidige geur van stekelige planten met kleine blaadjes, vermengd met de zilte lucht van de zee. Ik word blij, vanzelf. Ik kan er niks aan doen.
De zee schuimt en spat. In de verte ontwaar ik kleine eilandjes. Ver weg vecht een vissersbootje tegen de wind. De meeuwen duiken krijsen naar beneden op de vis af.
De eenzaamheid van rotsen en wind past bij hoe ik me nu voel. Ontbeend.
Je hebt maar één leven en dat moet je leven, alle gevaren en alle onzekerheid ten spijt.  Dit is het. Ik moet het in deze  werkelijkheid leven.
Niet later. Niet ooit, niet in de toekomst.
Nu.
Ik word er vast nooit echt goed in, in leven. Maar ik kan het proberen. Ik kan doen wat ik kan.
Ik blijf zitten en luister naar het schreeuwen van de meeuwen en laat dit nieuwe gevoel groeien.
Nu gaat het erom dat ik mijn tent afbreek, mijn rugzak inpak, de terugreis aanvaard, volwassen word.
Plotseling is daar de zon. De wolken scheuren open. Het opspattende water blikkert en flitst. Het zonlicht barst door de wolken in een wild spektakel van gloed en vuur en regenbogen. Dan ervaar ik een lichtheid, een gewichtloosheid, een leegmakende sensatie die me duizelig maakt en dankbaar.
Het licht is onwaarschijnlijk helder, alsof al mijn zintuigen op scherp zijn gedraaid.
Iets trilt, een onbestemd verlangen.
Het uitzicht is helder, eindeloos.

Fragment uit Verboden Terrein